Onderzoek wijst uit: een beetje interne competitie is niet slecht, het is juist een voorwaarde voor topprestaties.
Stel je een team voor waarin iedereen elkaar steunt, ideeën deelt en samen verantwoordelijkheid draagt. Klinkt als een droom, toch? Maar wat als ik zeg dat datzelfde team ook onderlinge competitie nodig heeft om écht te excelleren? Dat een beetje wrijving geen bedreiging is, maar een bron van energie?
Die gedachte botst. Zeker in de publieke sector. Daar geloven we in gelijkwaardigheid, samenwerking en het collectieve belang. En terecht. Maar dat maakt ons soms blind voor iets anders wat teams kan versterken: gezonde competitie.
Een recent onderzoek van Van Mierlo & Van Hooft (2025) onder 42 elite hockeyteams toont iets opmerkelijks: teams presteren het beste als zowel samenwerking als competitie aanwezig zijn. Niet óf-óf, maar én-én.
De twee sporen naar high performance
Het onderzoek toont twee ‘paden’ naar succes:
- Mastery goals → samenwerking → prestaties.
Teams die gericht zijn op leren en ontwikkelen, stimuleren samenwerking. Ze zijn gefocust op het proces, en dat leidt tot betere resultaten. - Performance goals → competitie → prestaties.
Teams die willen winnen en excelleren, creëren onderlinge competitie. Dat prikkelt. Duwt mensen net dat stapje extra. En dat… werkt óók.
Wat dit onderzoek zo interessant maakt, is dat beide paden even effectief zijn. Maar ze werken via fundamenteel verschillende mechanismen.
Coopetitie: samenwerken én strijden
De onderzoekers spreken over een “coopetitive” omgeving: een context waarin samenwerking en competitie tegelijkertijd bestaan en elkaar versterken. In de sportwereld is dat vanzelfsprekend. Spelers vechten voor hun plek in het team, maar hebben elkaar nodig om te winnen. Dat spanningsveld houdt hen scherp.
Maar wat doen we daarmee in organisaties?
In veel teams wordt competitie weggemasseerd. Als iemand nét wat fanatieker is, of ergens beter in blijkt, wringt dat al snel. We zeggen dan dingen als “doe maar gewoon” of “iedereen even belangrijk”. Maar dat ontkent verschillen in ambitie, talent en impact. En het haalt de prikkel weg om jezelf te overstijgen.
Wanneer wordt competitie constructief?
Competitie hoeft geen ellebogenwerk te zijn. Het kan ook betekenen:
- Jezelf willen verbeteren ten opzichte van gisteren.
- Geïnspireerd raken door de prestaties van een collega.
- De lat een tandje hoger leggen, omdat je ziet dat het kan.
De sleutel? Een gedeeld doel. In succesvolle sportteams is winnen het hogere doel en is competitie daaraan ondergeschikt. Spelers willen in de basis staan, maar niet ten koste van het team. Daar ligt ook voor (publieke) organisaties de les: durf competitie toe te laten, maar houd het gegrond in het collectief.
Een paar reflectievragen:
- Zie jij ambitie en competitie als bedreiging of als motor?
- Hoe reageert jouw team op verschillen in prestatie of snelheid?
- Moedig je mensen aan om beter te worden dan hun collega’s of alleen maar beter dan zichzelf?
- Wat zou er gebeuren als je die vraag durft te stellen?
Willen presteren en willen ontwikkelen zijn geen tegenpolen. Het zijn twee sporen naar dezelfde bestemming: beter worden als team. Maar daar is wel moed voor nodig. Moed om de spanning tussen ‘samen’ en ‘strijden’ niet te vermijden, maar te benutten.
Bron:
van Mierlo, H., & van Hooft, E. A. J. (2024). Dual pathways to high performance: Team achievement goals, cooperation, and competition in elite sports teams. Journal of Applied Sport Psychology. Advance online publication. https://doi.org/10.1080/10413200.2024.2383874



